Het Zwarte Woud is een plek waar de tijd niet stilstaat, maar hooguit besluit om even te gaan zitten. De bomen staan er zo dicht op elkaar dat je het gevoel krijgt dat ze iets voor je verbergen, alsof ze een geheim delen dat ze al eeuwenlang weigeren prijs te geven. De lucht ruikt er naar hars, vochtige aarde en een vleugje melancholie die je nergens anders vindt. Het is een landschap dat je niet bezoekt, maar dat je toelaat — als het zin heeft.
Over Saba, het Zwarte Woud en de radio’s die meer wisten dan wij
En tussen die bomen, die zich gedragen als oude mannen die alles al hebben meegemaakt, hoor je af en toe het geluid van een koekoeksklok. Niet één, maar honderden, want het Zwarte Woud is de enige plek ter wereld waar koekoeken structureel overwerkt raken. Je hoort ze roepen met de wanhoop van een ambtenaar die al drie uur overwerkt en nog steeds geen formulier 14B heeft gevonden. Sommige koekoeken klinken zelfs licht hysterisch, alsof ze weten dat ze in een souvenirwinkel zullen eindigen, tussen bierpullen en magneetjes.
In dat decor liep ik een tijd geleden een museum binnen. Een klein museum, zoals dat hoort in het Zwarte Woud: houten vloeren die kraken alsof ze protesteren, vitrines die ruiken naar boenwas, en vrijwilligers die eruitzien alsof ze al sinds de uitvinding van de middengolf in dienst zijn. En daar, tussen de koekoeksklokken en de vergeelde foto’s van mannen met snorren die op machines leunen, stonden ze: radio’s van Saba.
Niet zomaar radio’s, maar de radio’s die ik kende uit mijn jeugd, de radio’s die klonken alsof ze rechtstreeks uit een andere wereld kwamen. En terwijl ik daar stond, tussen de bomen die door de ramen naar binnen leken te kijken, kwam er iets bovendrijven wat ik al jaren kwijt was. Een herinnering die ik nooit bewust had bewaard, maar die blijkbaar geduldig had liggen wachten tot ik weer eens in de buurt was.

Toen ik klein was en weer eens het huis was uitgeschopt door mijn dronken vader, ging ik naar mijn oom, een oudere broer van hem. Hij leek sprekend op Kapitein Haddock uit Kuifje: baard, coltrui, pijp, schipperspet, en een blik die zei dat hij de wereld al lang doorhad en er niet bijzonder van onder de indruk was. Oom Haddock, zoals wij hem noemden, had een prachtige radio. Er stond SABA op, en dat vond ik exotisch klinken, alsof het iets met Indonesische sawa’s te maken had.
Ik was nog jong genoeg om dat soort verbanden logisch te vinden. Duizend bommen en granaten, wat was die radio mooi. Hout waarin je je kon spiegelen, een geur van boenwas en pijptabak, en een geluid dat zo warm was dat je bijna vergat dat het uit een apparaat kwam. Hij kostte waarschijnlijk meer dan een televisie in die tijd. Hoe oom Haddock dat allemaal betaalde was een raadsel, want hij was bijna altijd thuis. Ik wist toen nog niet dat hij ’s nachts vaak weg was, en dat zijn inkomstenbron niet bepaald in de categorie “legitiem” viel.
Op een dag kwamen er mensen de mooie spullen uit zijn huis halen. Inclusief oom Haddock zelf. Ik stond erbij en keek ernaar, zoals kinderen dat doen: zonder te begrijpen wat er gebeurt, maar wel aan te voelen dat het niet goed is. Dat was het dan; ik kon niet meer naar die prachtige Saba luisteren, die klonk alsof je in een concertzaal zat, al was ik nog nooit in een concertzaal geweest. Het was een abrupt einde aan een klein stukje magie dat ik toen nog niet als magie herkende.
Thuis ben ik me later gaan verdiepen in de geschiedenis van Saba. Niet omdat ik zo’n historicus ben, maar omdat sommige dingen je blijven achtervolgen, zoals de geur van pijptabak of het geluid van een buizenradio die opwarmt. En hoe meer ik las, hoe meer ik begreep dat Saba precies dat soort merk was dat bij mijn jeugd paste: degelijk, eigenwijs, en net eigenzinnig genoeg om op te vallen zonder te schreeuwen.
Saba begon in 1835, midden in datzelfde Zwarte Woud waar de bomen nog steeds staan te fluisteren. Josef Benedikt Schwer maakte klokken, want dat deed je daar. Je maakte klokken, koekoeken, en dingen die tikten. De koekoeksklokken waren zo populair dat de koekoeken er stress van kregen. Sommige sprongen te vroeg, anderen te laat, en er waren er zelfs die helemaal niet meer wilden. Maar de mensen bleven ze maken, want traditie is traditie, zelfs als de vogels er overspannen van raken.

In 1864 kwam August Schwer erbij, en zoals dat gaat in Duitse familiebedrijven, werd de naam meteen langer en zwaarder. August Schwer Söhne Metallwarenfabrik — een naam die je eigenlijk alleen fatsoenlijk kunt uitspreken als je midden in een militaire parade staat. Het assortiment breidde zich uit met metaalwaren waarvan niemand precies wist waarom ze bestonden, maar iedereen deed alsof het logisch was. Het bedrijf groeide, niet spectaculair, maar gestaag, zoals alles in het Zwarte Woud: langzaam, degelijk en zonder enige behoefte om indruk te maken.
Rond 1905 nam Hermann Schwer het roer over. De klokkenmarkt was inmiddels zo verzadigd dat zelfs de koekoeken er burn‑outverschijnselen van kregen. Iedereen had al een klok. Sommigen hadden er twee. Sommigen hadden er drie en wisten niet eens waarom. Dus schakelde Saba over op fietsbelletjes, deurbelmechanieken en scheerapparaten — kortom, alles wat geluid maakt zonder dat het meteen een radio hoeft te zijn. Het was geen briljante strategische zet, maar gewoon de enige logische stap. Niemand was onder de indruk, maar het werkte, en dat is in de techniek vaak al meer dan je mag verwachten.
Toen elektriciteit de wereld begon over te nemen, deed Saba mee. Niet omdat ze zo vooruitstrevend waren, maar omdat je anders vanzelf achterblijft. Ze verhuisden naar Villingen‑Schwenningen, een plek die vooral bekendstaat om het feit dat het… bestaat, en begonnen in 1923 koptelefoons en luidsprekers te maken. De overgang van mechanisch naar elektrisch was niet revolutionair, maar gewoon noodzakelijk. De wereld wilde geluid, en Saba wilde blijven bestaan. Meer motivatie was niet nodig.
Tussen 1923 en 1925 kreeg het bedrijf de naam Schwarzwälder Apparatebauanstalt, een naam die zo lang is dat je halverwege een pauze moet nemen. Gelukkig werd het afgekort tot Saba, want zelfs Duitsers hebben grenzen. Vanaf 1927 bouwde Saba radio’s. Grote radio’s. Zware radio’s. Radio’s die je niet neerzette maar installeerde. Radio’s die klonken alsof de wereld zelf door je woonkamer marcheerde. De buren luisterden automatisch mee, of ze dat nu wilden of niet. Het was de tijd waarin techniek nog karakter had, en Saba had er genoeg van.
Toen kwam de oorlog, die zoals gebruikelijk alles kapot maakte behalve de koppigheid van Duitse ingenieurs. De fabrieken lagen in puin, maar Saba niet. In de late jaren 1940 begon de wederopbouw, en al snel verschenen de Meersburg‑radio’s: houten kasten die zo mooi waren dat je bijna vergat dat er techniek in zat. De Freiburg‑serie volgde, met automatische afstemming die werkte alsof er een klein, beleefd mannetje in de radio zat dat fluisterde: “Laat mij dat maar even doen.” Het was allemaal indrukwekkend, maar niemand was echt verbaasd. Duitsers bouwen nu eenmaal dingen die werken; het is geen karaktertrek maar een natuurwet.
Eind jaren 1950 begon Saba televisies te maken. De Telerama‑serie zag eruit alsof hij elk moment kon opstijgen. De Württemberg S2600 en de Schauinsland‑series domineerden de jaren 1960. Televisies werden statussymbolen, en Saba wist precies hoe je zo’n symbool moest bouwen: degelijk, elegant en met genoeg technische eigenwijsheid om op te vallen zonder te schreeuwen. Het was allemaal heel voorspelbaar. Als je een bedrijf hebt dat goede radio’s maakt, ga je op een gegeven moment televisies maken. Het is net zo onvermijdelijk als regen in Engeland.
In 1968 werd Saba overgenomen door GTE. Een Amerikaanse megacorporatie die dacht dat Duitsers en techniek automatisch winst betekenden. Wat ze kregen was Duitsers en koppigheid, wat niet helemaal hetzelfde is. Maar Saba bleef bestaan, want sommige merken zijn te hardnekkig om zomaar te verdwijnen.
De jaren 1970 en 1980 brachten Japanse concurrentie die alles kleiner, sneller en efficiënter maakte. Natuurlijk deden ze dat. Japan doet dat altijd. Saba hield stand met televisies die eruitzagen alsof ze een eigen mening hadden. De Schauinsland‑series waren onverwoestbaar, wat ironisch genoeg precies het probleem was: ze gingen te lang mee. Goed voor de klant, rampzalig voor de verkoop. Maar ja, dat krijg je als je dingen bouwt die niet stuk willen.
In 1980 nam Thomson het bedrijf over. De productie werd verplaatst, de identiteit werd flexibel, maar de naam bleef. Natuurlijk bleef die bestaan. Merknamen sterven nooit. Ze worden alleen dunner uitgesmeerd.
In 1994 ontwierp Philippe Starck de Jim Nature, een draagbare televisie die eruitzag alsof hij was ontworpen door iemand die vond dat techniek ook een spirituele ervaring moest zijn. Het apparaat belandde in het MoMA – Museum of Modern Art in New York, waar het nu staat alsof het altijd al kunst was. De Oje‑modellen, zoals de PR6000, werden ook designiconen. Saba was ineens hip. Het merk dat ooit klokken maakte die zelfs koekoeken depressief maakten.
En daar stond ik dan, in dat museum in het Zwarte Woud, tussen de bomen die door de ramen naar binnen leken te kijken. En heel even was ik weer dat kind dat bij oom Haddock op de bank zat, luisterend naar een wereld die groter was dan ik kon bevatten. En ik dacht: sommige herinneringen zijn net radio’s. Ze vallen stil, verdwijnen, worden weggehaald, maar als je de juiste knop vindt, spelen ze gewoon weer verder.
Marten Coverack






















