Ik weet niet meer precies wanneer ik besloot dat vrijwilligerswerk bij Radio Maria een goed idee was. Misschien was het een ochtend waarop de werkelijkheid even flikkerde, alsof iemand achter de schermen de resolutie van mijn bestaan aan het bijstellen was. Misschien was het omdat ik dacht dat ik alleen met audio bezig zou zijn, en niet met de kosmische entiteiten die zich later als priesters zouden voordoen.
Het Evangelie van de Mengtafel
Wat het ook was: zodra ik de studio binnenstapte, wist ik dat ik een grens had overgestoken. Niet een fysieke grens, maar een soort membranige, licht trillende grens tussen het normale en het katholiek‑surrealistische. Maar ik dacht: hoe erg kan het zijn? Dat was mijn eerste fout. Mijn tweede fout was dat ik er bleef. Mijn derde fout was dat ik dacht dat het nog erger moest worden vooraleer het beter werd. Spoiler: dat gebeurde niet.
De studio was geen studio. Het was een organisme. De muren ademden zachtjes, ze probeerden mee te luisteren. De kabels kronkelden als slangen die net deden alsof ze stil lagen. De mengtafel pulseerde op een ritme dat niet van deze wereld was — een soort heilige hartslag die alleen ik leek te horen. Als ik een schuif aanraakte, voelde ik een lichte tinteling, het apparaat herkende mij. Alsof het zei: ‘Welkom terug, Marten. We hebben op je gewacht.’
De Vlaamse priester die de scepter zwaaide, zweefde soms een paar centimeter boven de grond. Niet altijd — alleen wanneer hij heel geconcentreerd sprak, of wanneer hij koffie dronk. Zijn soutane golfde dan zachtjes, hij leek te bewegen in een onderwaterwereld. Hij sprak met een stem die tegelijk fluisterde en galmde, rechtstreeks uitgezonden op een frequentie die alleen engelen en defecte radio’s konden ontvangen.
De ‘Frietpriester’ was nog vreemder. Elke dag haalde hij vette friet bij het winkelcentrum tegenover de studio. Maar op sommige dagen kwam hij terug met friet die licht gaf. Friet die zachtjes zong. Friet die dampte in kleuren die niet in het spectrum thuishoorden. Hij at met de plechtigheid van een man die een sacrament vernieuwt, en leken zijn ogen even op te lichten in een tint die ik alleen kan omschrijven als liturgisch ultraviolet.
Mijn taak bestond uit het aanhoren van priesters die iets hadden ingesproken op een digitale recorder. Maar die recorder gedroeg zich vreemd. Soms speelde hij dingen af die niet waren opgenomen. Soms hoorde ik fluisteringen op de achtergrond, in een taal die ik niet kende maar die me toch bekend voorkwam. Soms hoorde ik mezelf, terwijl ik iets zei wat ik nog niet had gezegd. En altijd, altijd, zat er een lichte ruis onder — een soort heilige interferentie. Het universum dat mij probeerde te bereiken via een slecht afgestelde middengolfzender.
Audacity werd mijn toevluchtsoord. Mijn digitale klooster. Mijn heilige ruimte waar ik in stilte knipte, plakte, normaliseerde en equaliseerde. Maar zelfs Audacity gedroeg zich vreemd. Soms verschoof een audiogolfvorm vanzelf. Soms verscheen er een spoor dat ik niet had aangemaakt. Soms leek software te ademen. En één keer — ik zweer het — verscheen er een golfvorm die eruitzag als een hostie.
Toen men me vroeg om een mis bij te wonen, voelde ik mijn maag al protesteren vooraleer ik überhaupt antwoord had gegeven. Het idee alleen al dat ik daar zou moeten zitten, tussen mensen die dit allemaal bloedserieus namen, maakte me zo onpasselijk dat ik me terugtrok in het toilet en daar stilletjes stond te kokhalzen. Maar ook het toilet was vreemd. De tegels bewogen zachtjes, ze ademden. De spiegel toonde niet mijn gezicht, maar een versie van mij die een soutane droeg en me streng aankeek.
Toch ging ik. Omdat ik koppig ben. Omdat ik dacht dat ik het wel zou overleven. Omdat ik wist dat de Vlaamse priester me anders zou aankijken met die teleurgestelde blik die zelfs de paus van zijn stuk zou brengen. De mis zelf was een surrealistische ervaring. De ruimte leek groter dan normaal, de muren trokken zich terug om plaats te maken voor iets dat niet in drie dimensies paste. De priester sprak, maar zijn woorden kwamen niet uit zijn mond — ze verschenen als tekst in de lucht, alsof iemand live ondertiteling deed in een taal die ik niet kende maar toch begreep. De hostie zweefde even voordat hij werd uitgedeeld, ze twijfelde of ze wel in deze realiteit wilde blijven.
Eén van de medewerkers ging op haar knieën om de hostie in ontvangst te nemen. De priester legde ze in haar mond met een plechtigheid alsof hij een USB-stick in een heilige poort stopte. De hostie smolt. Niet langzaam, maar in één keer, als sneeuw op iets gloeiends. Ze glimlachte, ze zei iets dat niet van deze wereld was.
En dan te bedenken dat er volgens mij geen hond luisterde naar dat radiostation. Het was een middengolffrequentie. Ooit een trotse Hilversumse zender, nu verwaterd tot een niemandsland waar alleen nog verdwaalde radiosignalen en nostalgische zielen ronddoolden. Soms hoorde ik tijdens het monteren stemmen die niet van de priesters waren. Soms hoorde ik muziek die niemand had ingestart. Soms hoorde ik mezelf, maar dan ouder, of jonger, of anders.
Toch waren er momenten waarop ik me bijna thuis voelde. Zoals die keer dat ik een heilige mis live mocht draaien, staand aan het mengpaneel. Live — dat woord alleen al gaf me een soort adrenaline die geen enkele priester ooit bij me had kunnen opwekken. De mengpaneel pulseerde onder mijn handen om me te helpen. De meters sloegen uit in patronen die leken op symbolen. De schuiven bewogen soms een fractie van een millimeter vanzelf. Ze fluisterden: ‘Hier, Marten, hier moet je zijn.’
De ‘Mopperpastoor’ klaagde zelfs tijdens de mis nog over de temperatuur, de akoestiek en waarschijnlijk ook over het feit dat God niet snel genoeg reageerde op zijn gebeden. Maar tijdens die live-uitzending leek hij even te veranderen. Zijn stem kreeg een echo die niet uit de ruimte kwam. Zijn woorden vormden patronen die ik niet kon volgen. En heel even — heel even — leek het alsof de lucht zelf luisterde.
Maar uiteindelijk wist ik dat dit niet mijn wereld was. Ik kon nog zo veel schuiven bedienen, nog zo veel audiobestanden gladstrijken, nog zo veel live-uitzendingen draaien — ik bleef een ongelovige technicus in een religieuze enclave die zich gedroeg als een droom die te lang was blijven hangen. Dus ging ik iets anders zoeken. Iets waar ik met audio bezig kon zijn zonder dat de werkelijkheid zich om me heen vervormde. Iets waar techniek gewoon techniek mocht zijn, zonder heilige bijsmaak. Iets waar de mengtafel niet ademde.
En toch — en dit is het ironische — kijk ik soms terug op die periode met een soort warme, licht spottende nostalgie. Niet omdat ik het mis, maar omdat het zo’n absurd hoofdstuk was in mijn persoonlijke geschiedenis. Het voelt als door een scenarist geschreven. Eén die dacht: ‘Laten we hem eens in een situatie zetten waar hij totaal niet thuishoort en kijken wat er gebeurt.’
En wat er gebeurde, was precies wat je zou verwachten. Ik deed mijn werk. Ik hield me staande. Ik lachte inwendig om de rituelen. En ik vond mijn toevlucht in de techniek. Misschien is dat wel het mooie van zulke ervaringen: ze laten je zien waar je thuishoort door je eerst ergens neer te zetten waar je absoluut niet thuishoort. En ik hoorde niet thuis bij Radio Maria. Ik hoorde thuis bij mengpanelen. Bij audio. Bij de wereld waar techniek de enige god is die ik bereid ben te dienen.
Maar ik heb het gedaan. Ik heb het meegemaakt. Ik heb het overleefd. En ik heb er een verhaal aan overgehouden dat zo surrealistisch is dat het bijna heilig is.

















