1925 was een sleuteljaar in de Nederlandse omroepgeschiedenis. Zowel de VARA (Vereniging van Arbeiders Radio Amateurs) als de KRO (Katholieke Radio Omroep) zagen toen het levenslicht, en toevallig allebei in november. Decennia later werd bij de KRO uitgebreid stilgestaan bij dat begin, onder meer tijdens de viering van het 40-jarig bestaan in 1965.
Die herdenking mondde uit in een televisiemoment dat zijn gelijke niet kende. Op 27 november van dat jaar zond men een ware tv-marathon uit. Zestien uur onafgebroken televisie, verzorgd door één en dezelfde omroep. Vandaag lijkt dat nauwelijks bijzonder – televisie is immers 24 uur per dag beschikbaar – maar midden jaren zestig was het aanbod beperkt, zowel in zenders als in zenduren. Juist daarom maakte deze dag zo’n indruk.
De feestuitzending kreeg de titel ‘Voor elck wat wils’ en bracht een indrukwekkende stoet aan populaire artiesten van dat moment: Catarina Valente, Jan Blaaser, Wim Sonneveld en Jules de Corte. Daarnaast waren er speciale afleveringen van typische KRO-programma’s zoals ‘Piste’ en ‘Het Gouden Schot’. Een absoluut hoogtepunt was de wereldprimeur. Voor het eerst werd, waar ook ter wereld, was de musical ‘Oklahoma’ rechtstreeks op televisie te zien.
Ook aan de jongere kijker was gedacht. Om vijf uur ’s middags startte het speciaal voor tieners bedoelde programma ‘Tienerbal’, met optredens van onder anderen Don Mercedes, Gonnie Baars, ZZ en de Maskers, Conny van Bergenen The New Orleans Syncopaters.
In de KRO-Revue van november 1965 – het populaire weekblad met achtergrond en ontspanning en dus niet hun programmagids (KRO Studio) – stelde de redactie zich intussen een heel andere vraag: ‘Wat doet zo’n marathonuitzending eigenlijk met de kijker? En weren er medische risico’s aan verbonden? De lezers kregen uitgebreid advies van de medische medewerker. Zo werd benadrukt dat het opnamevermogen van de menselijke geest groot is, mits het programma goed wordt opgebouwd.


Wel diende men fris en mentaal voorbereid voor de televisie te gaan zitten. Daarbij kwamen ook concrete lichamelijke aandachtspunten voorbij. Recht voor het scherm zitten was essentieel. Wie scheef keek, zou al snel last krijgen van hoofdpijn, doordat de hersenen voortdurend probeerden het beeld te corrigeren. Dat hield men misschien even vol, maar op den duur leidde het tot oververmoeidheid.
Ook de verlichting in de kamer kreeg aandacht. Kijken in een volledig donkere ruimte werd afgeraden. Beter was het om het licht aan te laten, zolang er maar geen directe lichtbron tussen ogen en scherm stond. Het oog, zo werd uitgelegd, verdraagt geen scherpe overgangen van zwart naar wit en is gebaat bij zachte contrasten – net als in de natuur.
Tot slot nog een herinnering aan de radio. In diezelfde periode kreeg de KRO steeds meer oog kreeg voor de tiener als aparte doelgroep. Andere omroepen waren hen al voorgegaan: de AVRO (Algemene Vereniging Radio Omroep) met ‘Tussen 10+ en 20-’, de NCRV (Nederlandse Christelijke Radio Vereniging) met ‘Tienertoeren’ en de VARA met het al bekende ‘Tijd voor Teenagers’.
Bij de KRO was er ‘Coda’ (illustratie bovenaan), een programma dat eens per veertien dagen werd uitgezonden. Het werd samengesteld door producer Ton Kool en gepresenteerd door Gonnie Baars en Henk Terlingen. Opvallend was de lengte: anderhalf uur per aflevering, uitzonderlijk lang voor een tienerprogramma in die tijd. Naast de bekende popsongs, vergelijkbaar met wat men hoorde op Radio London, Radio Caroline of Radio Veronica, werden er ook muzikale zijpaden bewandeld richting dixieland en jazz.
Alles bij elkaar: herinneringen aan een omroepwereld van zestig jaar geleden, waarin experiment, ambitie en publieksgericht denken hand in hand gingen.





















